Een Nederlandse video die veel Vlaamse ouders, leerlingen en scholen ook zullen herkennen: enorme verschillen

Mooi en zeer handig voor zowel onderzoekers en studenten: connected papers

Gisteren verscheen een nieuwe tool die ik zelf, denk ik, veel ga gebruiken en zal aanraden aan mijn studenten: connected papers. Een kern van wetenschappelijk werk is verder te bouwen op eerder werk of dat eerder werk te nuanceren of te weerleggen. Hierdoor zijn wetenschappelijke werken met elkaar verbonden via de referenties. Connected Papers probeert nu die connecties te visualiseren én praktisch te maken.

Zo ziet een visualisatie er uit:

Behalve dat je zo verbanden kan zien, wordt het voor mij nog leuker met de twee knoppen linksboven.

Aan de hand van ‘Prior works’ kan je zien welke artikels meest geciteerd werden door de verschillende artikels in de grafiek. Zo ontdek je de belangrijkste oerbronnen die je best toch even ook als oorspronkelijke bron leest.

Maar je kan ook zien naar welke afgeleide bronnen er het meest verwezen wordt in de grafiek en die wellicht de meer relevante recente werken zijn in je onderzoeksdomein:

Een stuk uit de onderwijsspiegel waar ik niet vrolijk van word: over leesonderwijs in Vlaanderen!

Vandaag kwam de nieuwe Onderwijsspiegel uit en ik kan onmogelijk alles lezen wegens examens, maar kon niet laten direct digitaal te bladeren naar het stuk over Begrijpend lezen, om evidente PIRLS en PISA-redenen. En ik moet bekennen, ik word er niet vrolijk van.

Enkele citaten over het basisonderwijs:

Van de 113 scholen zijn er 40 scholen met een visie die richting geeft aan het (begrijpend) leesonderwijs en die rekening houdt met haar leerlingenpopulatie. Dat betekent dat heel wat basisscholen wel een sterke algemene schoolvisie hebben, maar die niet vertalen naar het leergebied Nederlands of naar begrijpend lezen. In 52 scholen is er sprake van ondersteuning en bevordering van doelgerichte acties voor begrijpend lezen. Ongeveer een derde van de bezochte scholen voldoet aan de verwachtingen over de professionalisering inzake begrijpend leesonderwijs. Tot slot hebben 97 scholen moeite om de effecten van hun begrijpend leesbeleid in kaart te brengen en daar gepast op in te spelen. Aangezien de Vlaamse basisscholen niet beschikken over een leerlingvolgsysteem voor begrijpend lezen, is dat niet zo verbazend. In de gevalideerde toetsen voor het einde van het zesde leerjaar (IDP, OVSG, paralleltoetsen) is begrijpend lezen één van de onderdelen, maar het is niet evident voor scholen om die resultaten te interpreteren en er gepast op in te spelen.

Van de 113 scholen voldoen er 50 scholen nog niet aan de verwachting ‘de leraren plannen het begrijpend leesonderwijs doelgericht en efficiënt en voorzien in voldoende effectieve leestijd voor alle leerlingen’. Veel leestijd – die uiteraard ook efficiënt en kwaliteitsvol is ingevuld – is nu net belangrijk om vaardig te worden in begrijpend lezen.

Niet alles is slecht:

Inzake de leesdidactiek zit het in de meeste scholen goed met het aanbieden van betekenisvolle en functionele contexten, met de variatie in de tekstsoorten, met de aandacht voor woordenschat tijdens de lessen, met de directe instructie, met aandacht voor voorkennis en met een interactieve aanpak van de lessen begrijpend lezen. Groeimarge is er voor aandacht voor leesstrategieën (in 64 % van de betrokken scholen), voor gedifferentieerde aanpak (56 %) en voor modeling (39 %).

Maar…

Systematische leesbevordering gebeurt in 63 van de 113 scholen. In 100 scholen wordt het leesplezier van de leerlingen gestimuleerd en vaak mogen de leerlingen vrijetijdslezen in de klas. In één derde van de scholen is het leesaanbod echter eenzijdig of verouderd. En ook het voorlezen kan beter: in slechts 51 scholen wordt er voorgelezen in alle klassen.

En dit is pas echt erg:

De scholen scoren laag voor het opvolgen van het begrijpend leesonderwijs. Slechts 22 van de 113 scholen voldoen aan de verwachting om verschillende aspecten van het begrijpend leesonderwijs op te volgen, dat op verschillende manieren te doen en vervolgens gepast bij te sturen. In slechts één derde van de scholen gebeurt er een brede opvolging van de leerlingen waarbij ze zowel leesbegrip, leesmotivatie en strategiegebruik in kaart brengen.

Dat laatste is cruciaal omdat begrijpend lezen nu eenmaal een vermenigvuldiging is en geen som, zie ook deze post.

En voor alle duidelijkheid:

Het leerlingenpubliek hangt nauwelijks samen met de scores voor de acht kwaliteitsverwachtingen. Dat betekent dat alle scholen – zowel die met een kansarm publiek als die met een kansrijk publiek – een sterk begrijpend leesonderwijs kunnen organiseren.

Ik sluit me daarom aan bij deze aanbevelingen:

Ook op klasniveau is monitoring en opvolging van het begrijpend lezen een pijnpunt. Foutenanalyses gebeuren zelden. Dat maakt dat leraren een eerder beperkt zicht hebben op het begrijpend leesniveau van hun leerlingen en dat het schoolteam een eerder beperkt zicht heeft op het begrijpend leesniveau van de school. Het ontbreekt de leraren en scholen in Vlaanderen aan instrumenten om na te gaan of het begrijpend lezen ‘op peil’ is. De Vlaamse scholen zouden met andere woorden sterk gebaat zijn bij een leerlingvolgsysteem voor begrijpend lezen, zoals dat nu al bestaat voor technisch lezen, spelling en wiskunde. Het uitwerken van een dergelijk leerlingvolgsysteem (en ook bijkomende instrumenten) is een werk van lange adem en zal maar effect hebben op lange termijn. Tot dan geloven we dat de sterke aandacht voor begrijpend lezen en de inzet van diverse actoren ertoe zal bijdragen dat onze leerlingen in de basisscholen de nodige bagage begrijpend lezen meekrijgen.

Hoe zit het met het secundair onderwijs? Wel, hier was er ook een onderzoek, maar de steekproef was een pak kleiner (20 scholen, weliswaar 146 leraren).