De internationale krenten uit PISA 2018: zaken die minder aandacht zullen krijgen, maar zeer interessant zijn

De andere posts die ik vandaag over PISA breng, zijn de zaken die in de media ook veel aandacht zullen krijgen. Maar er zit zoveel in de data en de rapporten dat het zonde zou zijn, hier ook niet in de grasduinen voor interessante krenten.

Wat viel me zoal op?

  • Hoe het lezen van jongeren wereldwijd is veranderd qua media en qua doel:
  • Terwijl er steeds meer geld gaat naar onderwijs in alle OESO landen… dalen in bijna alle landen de resultaten:
  • Zeer alarmerend: minder dan 1 op 10 vijftienjarigen wereldwijd herkent een feit van een mening:
  • En hoe zit het met hun tevredenheid over hun leven?

    Maar in België valt het mee:

PISA 2018 in Vlaanderen is meer van het zelfde: verdere achteruitgang, verdere daling top, nog steeds ongelijk

Sorry voor de titel, maar het is de pijnlijke samenvatting die ik tegelijk wat moet nuanceren, want PISA noemt zelf België (in casu Vlaanderen) als een voorbeeld van hoge prestaties met hoog welbevinden van leerlingen.
Ik had zelf de daling trouwens groter verwacht na PIRLS maar het vervolg op deze grafiek is duidelijk:

Maar verder vrees ik vooral een verderzetting van de bestaande discussies in ons Vlaamse onderwijs.

Nog steeds zal men het hebben over:

  • de dalende kwaliteit, al zou ik het zelf liever hebben over de achteruitgang in leerprestaties.
  • de kloof die bij ons van alle regio’s het meest bepaald wordt door sociale achtergrond voor zowat 17% van de resultaten
  • de groep toppresteerders voor wiskunde die steeds kleiner wordt.

Oh, en ook nog:

  • De Vlaamse jeugd leest echt, echt, echt niet graag (trieste top op dit vlak)

De boodschap moet volgens mij zijn dat we aan alles moeten werken. Opvallend is wel dat deze keer PISA vooralsnog behoorlijk ver weg blijft van didactische aanbevelingen.

Specifiek voor lezen daalt het aantal toppresteerders trouwens maar licht (en niet significant), maar stijgt het aantal laagpresteerders opvallend:

Hierbij is de spreiding in Vlaanderen groter. De 10% laagst presterende Vlaamse leerlingen heeft een gemiddelde score van 359 punten; de groep hoogst presterende leerlingen één van 633 punten. Goed voor een verschil van 275 punten.

Veel meer kan je lezen in de presentatie van de Vlaamse PISA-onderzoekers van de Universiteit Gent.

Straks komt PISA, lees dit eerst (mijn stuk voor De Morgen)

Vandaag staat dit stuk van mijn hand in De Morgen. Om 9u komt op deze blog meer, veel meer. 
Oja, ik schreef dit stuk voor ik iets van resultaten had!

Vandaag is het zover: om 9 uur maakt de OESO de nieuwste PISA-resultaten bekend. Vorig jaar vulden vijftienjarigen in de deelnemende landen en regio’s een heleboel testen en vragenlijsten in, en na maanden verwerken, krijgen we nu het eerste deel van het verdict. Typische vragen zijn dan: hoe doet het Vlaamse onderwijs het in vergelijking met vorige keer en in vergelijking met de andere landen of regio’s? Wat wordt het volgende onderwijsland waar iedereen naar toe moet reizen na Finland, Polen of Estland?

Toch is het handig om een paar zaken in het achterhoofd te houden als je straks de resultaten van PISA (Programme for International Student Assessment, red.) onder de ogen krijgt. Ik som ze graag voor u op.

Ten eerste meet PISA niet de eindtermen of de leerplannen van een land. Alle landen hebben andere curricula en daarom probeert PISA probleemoplossend vermogen te meten. Concreet: jongeren krijgen problemen voorgeschoteld die op verschillende manieren opgelost kunnen worden, bijvoorbeeld met of zonder de regel van drie, maar er wordt niet voorgeschreven hoe. PISA is met andere woorden geen kennistest.

PISA kijkt niet alleen naar prestaties van leerlingen op wiskunde, begrijpend lezen, wetenschappen, economie of digitale geletterdheid, maar meet ook zaken zoals hoeveel bijles er in een land of regio gegeven wordt, hoe goed er samengewerkt wordt tussen leerlingen of hoe graag leerlingen naar school gaan,… Zeer relevante vergelijkingspunten die vaak over het hoofd worden gezien.

PISA toont verder vooral correlaties aan, maar géén onomstotelijke oorzakelijke verbanden. Het is een fout die vaker gemaakt wordt, zelfs door PISA-topman Andreas Schleicher toen hij onlangs even in zijn nieuwe PISA-kaarten liet kijken. In een interview met The Times stelde hij dat de kloof voor lezen tussen jongens en meisjes kleiner zou zijn geworden, en legde de link met het gebruik van sociale media. PISA kan wel vaststellen dat jongens meer of minder sociale media gebruiken en hoe jongens en meisjes presteren voor lezen, maar of er een oorzakelijk verband tussen beide is? Dat is gissen. Er kunnen nog tal van andere factoren een rol hebben gespeeld die niet noodzakelijk door PISA gemeten worden. Echte oorzakelijke verbanden aantonen met PISA-cijfers is een heikele zaak.

De belangrijkste causale conclusie die vaak getrokken wordt op basis van PISA-data is welk beleid voor welke stijging of daling zorgde. Los van het feit dat onderwijsprestaties ook nog door andere zaken beïnvloed kunnen worden dan het beleid van een overheid – denk bijvoorbeeld aan economische crisis of stijgende migratie die voor meer uitdagingen in onderwijs kunnen zorgen – maakt men dan vooral de denkfout te kijken naar het huidige beleid van een land of regio.

Dat Finland begin deze eeuw zo hoog scoorde in het PISA-onderzoek, dan was dat niet het resultaat van het onderwijsbeleid dat op dat moment gevoerd werd. Het was wellicht het gevolg van het beleid dat Finland voerde in de jaren tachtig en negentig van vorige eeuw. Het Finse onderwijsbeleid van de jaren 2000 overnemen, zoals meer dan eens werd bepleit, is dan ook niet per se aangewezen. Een indicatie: Vlaanderen scoorde bij de laatste PISA-ronde voor wiskunde beter dan Finland.

Onderwijsveranderingen gaan vaak traag en het duurt jaren om het effect te zien. Enkel Zweden toonde recent dat je op een zeer korte tijd het onderwijs slechter kan maken, maar dit was eerder uitzondering dan regel. Dit betekent dat voor de daling van het Vlaamse onderwijs in de voorbije PISA-rondes we moeten kijken naar het beleid dat we sinds 2000 of zelfs vroeger voerden, en dat het geweldig frustrerend is voor zowel voormalig onderwijsminister Crevits (CD&V) als huidig minister Weyts (N-VA) dat de invloed van hun beleid wellicht nauwelijks merkbaar zal zijn in de nieuwste resultaten, ook al zal er waarschijnlijk wel naar hen gekeken worden en minder naar Vanderpoorten (Open VLD), Vandenbroucke of Smet (sp.a).

Ten slotte is het belangrijk om te weten dat er de voorbije jaren de nodige discussie is geweest rond PISA. Er was bij de vorige ronde een open brief van tientallen wetenschappers die vragen stelden bij de grote invloed van deze internationale vergelijking op onderwijsbeleid wereldwijd. PISA is wel degelijk een belangrijke bron, maar niet de enige. Je hebt andere internationale vergelijkingen zoals PIRLS voor begrijpend lezen, of TIMMS voor wiskunde en wetenschappen of ICCS voor burgerschap. Samen met de peilingtoetsen die onze overheid zelf organiseert zijn het belangrijke thermometers. Het enige dat we nu nog willen weten, is hoeveel koorts ons onderwijs heeft. Vorige rondes en PIRLS doen niet het beste vermoeden.

Vooruitblik: hoe zal deze grafiek verder gaan?

Dinsdag is het PISA -dag met de bekendmaking van de nieuwe 2018-resultaten, met als speciale focus Begrijpend Lezen. En het is waar, je kan behoorlijke bedenkingen hebben bij PISA, maar het blijft een belangrijk vergelijkingspunt. Ik heb voor alle duidelijkheid nog niks gezien, behalve enkele personen die PISA zelf wel al zagen en er niet zo gelukkig uitzagen. Deze post doet wel vermoeden welke richting het didactisch (verder) zal uitgaan.

Ik haal deze grafiek uit het TORB artikel van oa Jan Van Damme dat in april van dit jaar voor de nodige deining zorgde. De uitleg over de stippellijntjes tussen 2012 en 2015 vind je hier terug. De vraag zal dinsdag vooral zijn, hoe deze grafiek verder zal lopen. Ik denk dat we voor begrijpend lezen blij zullen mogen zijn met alles boven de 500… Het is trouwens ook uitkijken naar hoe Groot-Brittannië en specifiek Engeland het zal doen.

 

Een deel van het verhaal: hoe vaak onze sterkste studenten niet voor de klas terechtkomen.

Elk jaar komen er een paar studenten op school op me af met steeds dezelfde vraag. “Mijnheer, u heeft toch eerst de lerarenopleiding gedaan, en dan verder gestudeerd? Hoe was dat en zou u het ons aanraden?”.

Ik moest er maandag aan denken toen een professor van de Gentse universiteit me vertelde dat nu 3 kwart van haar studenten in haar vak voor de opleiding onderwijspedagogiek uit drie kwart van dergelijke studenten bestaat. Ik hoor gelijkaardige verhalen bij collega’s.

Telkens ik zelf die vraag krijg, heb ik een dubbel gevoel. Op persoonlijk vlak kan ik ze het enkel aanraden. Maar… het is telkens een groot verlies voor het onderwijs. Het zijn niet zelden onze beste studenten die fantastisch les geven die er voor kiezen naar de universiteit te gaan, waarbij het nog maar de vraag is of ze ooit terug komen voor diezelfde klas.

Onlangs in een interview dat ik samen met oa Jan Van Damme deed voor Humo, had hij het ook over deze type studenten. De oorspronkelijke bedoeling van die schakeljaren was volgens hem net dat nog sterkere profielen de weg naar de klas zouden vinden. Maar het is nooit aantrekkelijk geworden voor hen.

Ik ben zelf altijd voorzichtig geweest met pleidooien voor vermastering van de lerarenopleiding of ook zoals in Nederland pedagogisch pabo’s, of masters in het basisonderwijs te krijgen. Mijn bedenking was dan steeds dat masters in andere landen blijkbaar niet altijd betere resultaten afleveren dan wat wij onze hogescholen bereiken. In Nederland zijn de resultaten genuanceerd. Het is cruciaal dat de scholen en directies ook weten hoe ze met zulke profielen kunnen omgaan, anders is het een maat voor niks.

Tegelijk begin ik meer en meer te voelen dat we die sterke profielen echt wel in onze scholen moeten terugkrijgen, dus ik voel hoe mijn mening geleidelijk aan bijgesteld wordt en misschien moet ik Jan Van Damme wel gelijk geven.