Gisteren schreef ik hier over hoge verwachtingen en over een nieuwe studie die liet zien dat die verwachtingen misschien zichtbaar worden in iets heel concreets, namelijk de taken die je leerlingen geeft. Leraren bleken veel minder geneigd om cognitief uitdagende wiskundeopdrachten te geven wanneer ze aan zwak presterende leerlingen dachten dan wanneer ze aan sterk presterende leerlingen dachten. Vandaag kwam ik een studie tegen die daar vanuit een heel andere hoek verrassend goed bij aansluit. Dit keer gaat het niet over wiskundetaken, maar over inclusie. Het is een longitudinale studie met een degelijke steekproef en een resultaat waarbij zowel de onderzoekers als ikzelf in feite op dezelfde vraag uitkomen: verwachten we misschien soms te weinig van leerlingen, vanuit de beste bedoelingen?
Categorie archief: Voor in de klas
Deze sites, boeken, voorbeelden,… kunnen interessant zijn voor gebruik in de klas, bijvoorbeeld voor media-educatie.
Hoge verwachtingen zitten ook in wat je leerlingen laat doen
Vandaag een onderzoek waarbij ik spontaan aan een klassiek, vaak geciteerd onderzoek moest denken én aan een van de eerste leidraden van Leerpunt. Hoge verwachtingen, want over deze gaat het, hebben van leerlingen is belangrijk. Het gaat natuurlijk om wat je denkt dat leerlingen kunnen bereiken. Maar misschien zie je verwachtingen nog duidelijker in iets anders, namelijk in de taken die je leerlingen geeft.
Dat toont een nieuwe studie van Marilyn DePietto en Bruce Torff naar wiskundeleraren en zogenaamde problem-posing tasks. Daarbij krijgen leerlingen niet enkel een wiskundig probleem dat ze moeten oplossen, maar ook de opdracht om zelf een probleem of vraag te formuleren op basis van de gegeven informatie. De onderzoekers waren geïnteresseerd in een eenvoudige maar cruciale vraag: maakt het uit of leraren denken dat zo’n taak bedoeld is voor sterk of zwak presterende leerlingen?
Veel onderzoek, weinig houvast: wat weten we over programmeren en robots in de klas?
Van het kleine schildpadje tot nu heeft programmeren in heel wat landen regelmatig een plaats gekregen in het curriculum. Soms werd het schildpadje ondertussen meer echt, en duiken robots ook op in STEM-lessen. Al maakte een van mijn kinderen ooit de opmerking dat dit meest gebeurt bij opendeurdagen. Maar toch laten leerlingen een robot een parcours afleggen, bouwen ze zelf iets, of gebruiken ze zo een robot om principes uit wiskunde, techniek of informatica te leren. De achterliggende gedachte klinkt aannemelijk. Leerlingen zijn actief bezig, krijgen onmiddellijk feedback als hun code niet doet wat ze verwachten. En vooral: dit kan behoorlijk motiverend werken. Maar hoe zit het met het leereffect?
Is schrijven echt de beste manier om te leren denken?
Een van de grote zorgen rond generatieve AI in het onderwijs gaat over schrijven, of beter het evalueren van schrijven. Als leerlingen en studenten hun teksten door ChatGPT of een andere AI kunnen laten neerpennen, hoe weten we dan nog zeker of ze zelf wel of niet hebben nagedacht? Het leidt ondertussen tot allerlei oplossingen: meer examens in gecontroleerde omstandigheden, software die het schrijfproces volgt, of mondelinge verdedigingen, enzovoort.
Maar een opiniestuk uit de New York Times dat gisteren met mij gedeeld werd via sociale media formuleert een provocerende gedachte. De auteur, Joe Cruz, draait de redenering om: wat als we veel te gemakkelijk aannemen dat schrijven de beste manier is om te leren denken? Misschien moeten we niet proberen het oude essay, koste wat het kost, tegen AI te beschermen. Nee, laten we veel meer gebruikmaken van gesprekken, discussies en mondelinge examens. Daar moet een student immers ter plekke uitleggen, reageren, argumenteren en verdedigen. Het is een interessante, al niet noodzakelijk originele gedachte. Alleen struikelde ik over een van de argumenten waarmee Joe Cruz zijn stelling verdedigt.
Wat is beter dan 1 nieuwe leidraad rond taal? Juist, 2 nieuwe leidraden!
Groot nieuws van het Leerpunt-front! We publiceerden deze week twee nieuwe leidraden. Beide rond taal, een gericht op kleuteronderwijs, een op de lagere school!
OESO: Minder leerlingen, maar daarom nog niet minder lerarentekort
Het was bij het begin van het schooljaar onderwijsnieuws, de druk op het lerarentekort blijkt wat te milderen. Is het door de besparingen? Is het door de demografische evoluties? Of misschien komt het door de slabakkende economie waardoor mensen meer voor de veilige haven van het onderwijs kiezen? Dat eerste kan, dat laatste lijkt zich toch niet te vertalen in de inschrijvingscijfers aan de lerarenopleidingen en dat twee, daar moet ik vandaag bij stilstaan.
Het klinkt namelijk bijna alsof dan de oplosing vanzelf zal komen. Veel landen kampen met een lerarentekort, maar tegelijkertijd worden er wereldwijd steeds minder kinderen geboren. Minder kinderen betekent minder leerlingen, minder leerlingen betekent minder leraren nodig en dus zou het lerarentekort op termijn toch minstens gedeeltelijk vanzelf moeten verdwijnen? Nou, nee.
Dit was het onderwijsnieuws! Rinke en ik kijken terug op september 2026: lezen in Singapore, feedback, in het hoofd van de wetenschapper en meer
Kinderboeken vertellen over veel emoties, maar tonen vooral kalmte en geluk
Een personage is bang. Of boos. Of verdrietig. Dit wordt duidelijk in de tekst. Maar kijk je vervolgens naar de bijbehorende illustratie, dan is de kans behoorlijk groot dat je iemand ziet die… rustig of gelukkig kijkt. Dat is de opvallende uitkomst van een nieuwe NBER-working paper van Anjali Adukia en collega’s. De onderzoekers bekeken hoe emoties worden weergegeven in Amerikaanse schoolboeken en in bekroonde kinderboeken. Het onderwerp is dus kortgezegd de congruentie tussen woord en beeld.
Waarom zijn er nu meer diagnoses van ADHD en autisme?
Het is de basis voor discussies over overdiagnose. Heel soms lees je mogelijke verklaringen die eerder op samenzweringstheorieën lijken. Toch is het een feit: er worden vandaag veel meer kinderen en jongeren gediagnosticeerd met ADHD of autisme dan pakweg tien of twintig jaar geleden. Zo is in Denemarken het aantal diagnoses van beide stoornissen tussen 2000 en 2024 zelfs meer dan verdrievoudigd. Waarom begin ik over Denemarken? Een nieuwe studie van Magnus Elias Tarp en collega’s in JAMA Psychiatry levert een interessant puzzelstukje voor de vraag: waarom?
Zijn er daadwerkelijk meer kinderen met ADHD en autisme? Zijn we er beter in geworden om ze te herkennen? Is de drempel voor een diagnose veranderd? Of stellen de eisen van school en samenleving kinderen met bepaalde kenmerken tegenwoordig sneller voor problemen? Ik kan je nu al meegeven dat de onderzoekers er niet in slaagden de Waarom-vraag definitief te beantwoorden. Hun werk levert wel een behoorlijk interessant stukje van de puzzel op. Hun belangrijkste bevinding kun je misschien zo samenvatten: niet alleen het aantal diagnoses is veranderd, ook wie een diagnose krijgt, lijkt te zijn veranderd. Maar lees vooral verder.
Hoe pakken leerkrachten die zeer goed zijn in inclusief onderwijs het aan?
Dit is een behoorlijk indrukwekkende studie van Petr Svojanovský en collega’s, gepubliceerd in Learning and Instruction, waarbij je je niet mag blindstaren op de steekproef. Die lijkt namelijk relatief klein, met in totaal 2 scholen, 42 leerlingen, 6 leraren en 2 onderwijsassistenten. Maar de onderzoekers wilden weten hoe leraren die sterk zijn in inclusief onderwijs omgaan met de verschillen tussen alle leerlingen in hun klas en kozen hierbij voor een etnografische aanpak.
Dit betekent concreet dat ze iedereen een volledig schooljaar volgden met wekelijks onderzoek, 290 uur observatie, 167 interviews en geschreven materiaal van alle 42 leerlingen. Ze observeerden in totaal 218 uur lessen en nog eens 72 uur andere schoolactiviteiten. Dat is nogal uitputtend in de verschillende betekenissen van het woord!