Hier volgt een langere post over een pittig onderwerp, waarbij klimaatverandering, psychologisch onderzoek en een comedian passeren op een andere manier dan je vermoedt om bij een pedagogisch en democratisch vraagstuk te bespreken dat ik kan samenvatten als volgt: wil je graag dat jongeren kritischer en mondiger worden, of wil je vooral graag dat ze denken zoals jij denkt?
Een keynote over het klimaat en meer
Het voorbije weekend sprak ik in Cambridge op de plaatselijke ResearchED conferentie. Een van de keynote sprekers was Mike Berners-Lee. Behalve jongere broer van de bedenker van het world wide web, is hij een Engelse onderzoeker, schrijver en spreker die gespecialiseerd is in het meten van de CO2-voetafdruk en duurzaamheid. Hij is directeur van Small World Consulting en hoogleraar aan de Universiteit van Lancaster, en is bekend van boeken zoals How Bad Are Bananas? en There is No Planet B.
Zijn nieuwste boek, ‘A Climate of Truth’, gaat over hoe we de klimaatcrisis en andere wereldwijde problemen zoals ongelijkheid en voedselonzekerheid kunnen oplossen door middel van eerlijkheid. Hij stelt dat gebrek aan eerlijkheid in politiek, media en zakenwereld een grote belemmering is en dat het verbeteren van eerlijkheid de meest kritieke stap is om onze samenleving te laten floreren.
In zijn lezing over zijn nieuwste boek kwam veel voorbij in 40 minuten, maar een van de belangrijkste pleidooien was het vormen van meer kritisch denken bij leerlingen. Kan niemand tegen zijn, denk ik. Onder andere het kritisch stilstaan bij bronnen, het bevragen van wie er spreekt, enz. Lijkt me prima. De nodige kennis opdoen om kritisch te kunnen zijn ontbrak wel in het verhaal.
Oops
Ik spreek me niet uit over klimaatwetenschap omdat ik er veel te weinig expertise over heb. Maar ik moest aan de noodzaak van kennis denken tijdens de lezing toen Berners-Lee een paar zaken uit de psychologie verkeerd voorstelde. Hij herhaalde de oorspronkelijke versie van de verschillende stadia van rouw van Kübler-Ross als vaststaand feit. Hier kan je veel bedenkingen bij maken. Ondertussen is het vrij algemeen geweten dat het niet verschillende opeenvolgende stadia zijn, niet alle stadia bij iedereen voorkomen en nog belangrijker: de sprong van onderzoek naar stadia die stervende mensen mogelijk meemaken naar algemene rouw is gewoon gigantisch. Verder verwarde hij links-rechts brein denken (ouch) met systeem 1 en systeem 2 denken van Kahneman. Ik kon het niet laten hem – niet publiek, maar na de keynote – hier op aan te spreken. Van Kübler-Ross gaf hij aan dit niet te weten, maar hij stelde dat de mythe van de breinhelften op zijn beurt weerlegd was. Het heeft me veel opzoekwerk opgeleverd, omdat ik het natuurlijk ook fout kan hebben. Maar voorlopig geen enkele aanwijzing gevonden in recente publicaties. Laat me gerust weten als ik iets gemist heb!
Kritisch denken
In feite heb ik met mijn beleefde reactie wellicht getoond wat kritisch denken zou moeten zijn. Op basis van kennis, bepaalde zaken in vraag gesteld en als dit tegengesproken wordt, een extra check doen. So far so good. Maar onderhuids was er ook een duidelijk ander uitgangspunt dat Berners-Lee vaak herhaalde: als we onze jongeren allemaal kritisch leren denken, zullen ze allemaal inzien wat er allemaal fout is en zullen ze allemaal zoals mij of ons beginnen te denken. En dat lijkt me meer problematisch als idee, want dan is de teleurstelling quasi zeker.
Het doet me denken aan hoe de (mede-)bedenkers van het concept van jeugdculturen, het CCCS, in hun theorievorming er van uitgingen dat jongeren per definitie progressief zijn. Ondertussen weten we beter. Jongeren zijn net mensen, ook hier ga je zowel meer progressief en meer conservatief denken tegenkomen. En zijn conservatieve denkers dan per definitie fout?
Een pedagogisch vraagstuk
Dat brengt me bij de kern van het pedagogisch vraagstuk waar ik deze post mee begon. Willen we jongeren leren kritisch denken, of willen we vooral dat ze kritisch denken binnen de lijnen die wij trekken? Dat verschil is cruciaal, maar in de praktijk vaak flinterdun.
Wie onderwijs geeft, weet hoe sterk onze eigen overtuigingen en waarden meespelen. We kiezen voorbeelden, thema’s en casussen die we belangrijk vinden. We reageren anders op een leerling die “kritische vragen” stelt die ons bevestigen dan op eentje die onze overtuigingen uitdaagt. Toch is dat laatste misschien net de lakmoesproef voor echt kritisch denken.
Morele eigenschap versus cognitieve vaardigheid
Kritisch denken is immers geen morele eigenschap, maar een cognitieve vaardigheid ingebed in kennis, context en redenering. Een leerling die kritisch denkt, kan dus tot een andere conclusie komen dan jij. En dat moet kunnen. Sterker nog: dat is het hele punt.
In dat opzicht is kritisch denken een ongemakkelijke pedagogische opdracht. Het vraagt van ons dat we leerlingen ruimte geven om ook standpunten te verkennen die we zelf afwijzen. Dat we hen leren argumenteren zonder hen te dwingen om tot “de juiste” uitkomst te komen. Dat we dus minder bezig zijn met wat ze denken, en meer met hoe ze denken.
Ik vermoed dat Berners-Lee’s oproep tot kritisch denken – en van vele anderen – vertrekt vanuit een goedbedoelde hoop: dat als jongeren beter leren denken, ze vanzelf “het juiste” zullen inzien. Maar de werkelijkheid is grilliger. Goed leren denken garandeert geen overeenstemming, wel nuance. En misschien is dat precies wat we vandaag het hardst nodig hebben. Al is dat laatste voor alle duidelijkheid ook een persoonlijke mening waar wellicht sommige kritische denkers het niet mee eens zullen zijn.
Bij een uitbreiding een democratisch vraagstuk
Hoe graag had ik over dit thema nog met de onlangs overleden Piet van der Ploeg gesproken omdat er veel parallelen zijn met discussies over burgerschap. Iemand als David Van Reybrouck stelt openlijk vragen bij onze democratie omdat deze onze planeet niet meer zal redden. Zijn redenering lijkt begrijpelijk: onze politieke systemen zijn volgens hem niet gemaakt voor problemen die verder reiken dan de volgende verkiezing. Ze belonen korte termijn en polarisatie, terwijl kwesties als klimaatbeleid traagheid, kennis en samenwerking vergen. Ik vermoed dat Van Reybrouck en Berners-Lee het over veel punten grondig eens zijn. Denk dan onder andere aan hoe onze samenleving meer nood heeft aan reflectie, redelijkheid en eerlijkheid, en dat beter denken zal leiden tot beter handelen. Van Reybrouck zoekt het antwoord ook in deliberatieve democratie: loting, burgerfora en overleg, in de hoop dat burgers samen verstandiger besluiten nemen dan partijen in campagnemodus.
Het juiste?
Ik weet oprecht niet wat Piet hierover zou hebben gedacht. Hij was absoluut niet tegen redelijkheid of dialoog maar hij had wel moeite met een burgerschapsbegrip dat snel instrumenteel wordt. Democratie of burgerschap als middel om een maatschappelijk doel te realiseren, in plaats van als waarde op zichzelf. In zijn woorden: dat is het terrein van social engineering. Zodra we burgers of leerlingen laten deelnemen opdat ze “het juiste” zouden inzien, ondermijnen we precies die zelf- en medezeggenschap waar democratie uit voortkomt. Van der Ploeg zou er bovendien op hebben gewezen dat redelijkheid niet ontstaat uit overleg alleen, maar uit kennis: goed geïnformeerde burgers die leren oordelen, niet enkel meedenken.
Daarmee wordt het een ongemakkelijke maar wezenlijke pedagogische vraag: kunnen we nog burgerschap en democratie onderwijzen zónder er een gewenste uitkomst aan te koppelen? Durven we jongeren of burgers te vertrouwen met vrijheid, ook als ze daar iets anders mee doen dan wij hopen? Misschien ligt daar precies de kern van volwassen burgerschap en bij uitbreiding van een democratie die, hoe inefficiënt ook, haar burgers serieus neemt.
Iemand anders die ik op mijn reis hoorde…
Na de conferentie zag ik een ogenschijnlijke tegenpool van Berners-Lee en Van Reybrouck, Ricky Gervais. Een rode draad in zijn voorstelling was naast leven en dood, het belang van vrije meningsuiting die ook voor hem tegelijk niet absoluut is. Je mag terecht niet oproepen tot geweld of laster bedrijven. Maar ook: je mag en moet mensen kunnen tegenspreken, ook als zij hun recht op vrije meningsuiting gebruiken. Ook jij mag dat dan.
Het klonk als een komisch tegengewicht voor de ernst van de conferentie, maar eigenlijk raakte het aan dezelfde kern. Ook hier gaat het om vertrouwen: in mensen, in redelijkheid, in het vermogen om woorden te wegen in plaats van ze te verbieden. Vrijheid van meningsuiting is in die zin niet het recht om gelijk te hebben, maar om te kunnen denken. Soms luidop, soms onhandig, soms schurend.
En misschien is dat wel de verbindende draad tussen kritisch denken, burgerschap en democratie: ze veronderstellen allemaal een ongemakkelijke vrijheid. De vrijheid om fouten te maken, om elkaar tegen te spreken, en om het oneens te blijven zonder dat iemand de les gespeld wordt over wat het “juiste” denken is.
Misschien is dat de moeilijkste les van allemaal voor leerlingen, burgers én sprekers op conferenties: vrijheid is pas echt iets waard als ze ook mag schuren.
Beeld: https://stockcake.com/i/spotlight-on-stage_534419_1132447
Pingback: Pedro en RInke blikken terug op onderwijsnieuws van oktober 2025