Gaat de wereld echt steeds sneller? Een kleine verkenning.

Het lijkt een zekerheid: de veranderingen in de wereld gaan steeds sneller. Nu heb ik de onhebbelijke gewoonte om zekerheden ook wel in vraag te durven stellen en dus daagde ik me uit ook voor deze stellingen argumenten pro- en contra te vinden. Eerst keek ik vooral dicht bij huis, maar de wereld vertraagt wel letterlijk.

De makkelijkste die ik me kon herinneren is de trein. Het lijkt een gemakkelijke grap, maar het is echt waar: in België rijdt de trein vandaag trager dan enkele decennia geleden. Wellicht geldt dit met alle files ook ondertussen voor de auto en de vrachtwagens, maar dat is dan weer misschien niet eens zo slecht. Van dezelfde voor de hand liggende orde, zijn grote werken in België, denk maar aan Oosterweel waar de papiermolen vandaag behoorlijk lang kan aanslepen.

Maar terug naar mijn vraag.

De snelheid van communicatie is toch een pak sneller geworden? Ja, maar de grootste tijdswinst ligt al ver achter ons, en we zien nu vooral een democratisering van communicatie. We kunnen wellicht niet meer sneller communiceren, maar die snelheid is er voor meer mensen goedkoper bereikbaar. Misschien kunnen we dat laatste als een versnelling zien of niet. Een verandering is het zeker.

Hoe zit het met de productiviteit? Die stijgt alvast sneller in Vlaanderen:

Blijf ik met de vraag of we nu sneller werken, of net efficiënter? Voorlopig nog geen antwoord over gevonden.

Studeren lijken we alvast gemiddeld trager te doen in het hoger onderwijs, al kan ook de instroom hier een rol spelen volgens sommigen.

Er zijn verder genoeg aanwijzingen dat we aan een steeds hoger tempo leven. Richard Wiseman toonde in zijn Pace of Life project waarbij gekeken werd naar hoe snel we in een stad lopen/wandelen omdat dit een goede aangever zou zijn voor algemene snelheid van leven:

Using identical methods to those employed in the previous work, the present day research teams discovered that the pace of life is now 10% faster than in the early 1990s.
The biggest changes were found in the Far East, with the pace of life in Guangzhou (China) increasing by over 20%, and Singapore showing a 30% increase, resulting in it becoming the fastest moving city in the study. (bron)

Wat wel interessant bleek in deze studie is dat de versnelling nogal kan verschillen van stad tot stad en dat sommige steden zoals Londen trager bleken dan bijvoorbeeld Madrid.

Voorlopig kom ik zo bij een einde aan deze kleine denkoefening, maar alle aanvullingen zijn meer dan welkom!

Een goede metafoor over leerplannen en koepels

Gisteren was er een opvallende passage in De Zevende Dag in het debat tussen Bart De Wever en huidig minister van onderwijs Hilde Crevits, waarbij de minister scholen aanraadde om wat vaker tegen hun koepel in te gaan als de visie van de koepel zou botsen met hun eigen visie.

Dit bracht me tot de volgende vraag:

Ik stelde die vraag niet omdat ik voor of tegen ZILL zou zijn, het nieuwe leerplan voor het basisonderwijs van het katholiek onderwijs, maar wel omdat ik de voorbije 2 jaar diezelfde vraag al vier kreeg. Voor alle duidelijkheid, elke school mag zijn eigen leerplan maken, maar in de praktijk is dat veel werk. Al zouden bijvoorbeeld katholieke scholen er ook kunnen voor opteren bij de oude leerplannen te blijven, omdat de eindtermen die we vandaag hebben in het basisonderwijs nog steeds dezelfde zijn als voor de oude leerplannen. Pas in de komende legislatuur wordt werk gemaakt van nieuwe eindtermen voor de basisschool.

Lieven Boeve antwoordde op mijn vraag:

Johan Lievens verduidelijkte het allemaal via een metafoor:

Wat hebben concentratiescholen nodig?

Vandaag in verschillende kranten het nieuws dat de ongelijkheid in ons onderwijs nauwelijks is afgenomen, ondanks het gelijkekansenbeleid sinds begin jaren 2000. Verder bepaalt in het secundair onderwijs de school waar je naartoe gaat nog meer je toekomst dan je afkomst. De ironie is dat wellicht nu nog meer ouders hun kinderen weg zullen houden uit concentratiescholen, eerder dan dat er een structurele oplossing komt.

Nu, we moeten het beter over structurele oplossingen dan oplossing hebben, want het zou van solutonisme getuigen – de idee dat er een eenvoudige oplossing bestaat voor een complex probleem – als we zouden dat denken dat we dit verschil met 1 of 2 maatregelen zouden kunnen wegwerken. Ik wil het wel hebben over een van de oplossingen die misschien een belangrijke rol zou kunnen spelen, naast alle andere die je nu en binnenkort in de media zal kunnen horen.

Vlaanderen is namelijk de regio bij uitstek waar de minst ervaren leerkrachten net in die scholen terechtkomen waar het al moeilijker is om les te geven.

In juni komt het nieuwe TALIS-rapport uit, maar ik vrees dat er weinig veranderd zal zijn. Combineer dit met deze grafiek die ik ook al een paar keer deelde:

Hoe kan je dit oplossen? Door meer ervaren leerkrachten in die scholen te laten les geven. Maar hoe overtuig je hen hiervan? Misschien door hen meer tijd te geven door bijvoorbeeld iets minder uren te laten les geven? Of andere maatregelen die de extra uitdaging compenseren.

Voor alle duidelijkheid: dit zal het zeker niet allemaal oplossen, maar het kan wel een begin zijn.

Ondertussen vraag ik me wel af hoe lang ik deze twee grafieken nog zal moeten blijven herhalen…

Waar is de evidentie? Over getuigenissen en autoriteit.

Onlangs zag ik een lezing van een buitenlandse professor die een uur lang pleitte voor meer gebruik van evidentie in onderwijs, maar er was een opvallende manco in haar presentatie. Ze beweerde zeer veel zaken, waarvoor ze echt zelf… geen enkele evidentie aanvoerde.

De presentatie deed me denken aan het boek ‘When can you trust the experts’ van Daniel Willingham dat ik hertaalde naar het Nederlands. Daarin schuift Willingham onder andere de volgende twee belangrijke tips naar voor:

  • Autoriteit is een zwak argument. Het kan je misschien verbazen, maar wetenschappers zijn ook maar mensen, die soms ook gewoon een mening hebben die niet noodzakelijk onderbouwd is. In Juffen zijn Toffer dan Meesters hebben we zo een hele case beschreven (met bronnen) van een Britse professor die ook herhaaldelijk claims deed, wat bij andere wetenschappers leidde tot de vraag ‘where is the evidence’. Zelfs een uitspraak als ‘John Hattie zegt…’ mag je niet ontslaan van kritisch denken.
  • Je negeert beter getuigenissen als deze als aanbeveling gebruikt worden. In de presentatie die ik bijwoonde, zat dan wel geen enkele referentie, er waren wel getuigenissen: mensen die hun mening gaven over een bepaald product. Je mag mijn inziens het vergelijken met dit:

Het is misschien een beetje te straf gesteld, maar als bijvoorbeeld Bill Clinton een bepaald persoonlijkheidsmodel aanprijst, dan is dat evenveel waard als je buurman die dat model zou aanprijzen, gesteld dat die man net zoals Bill geen psycholoog is.

Voor de evidentie achter de voorbeelden, verwijs ik graag naar het meest recente mytheboek waarin we onder andere het model dat Bill Clinton aanprees uitgespit hebben, net als de case van prof. Greenfield en in het laatste hoofdstuk uitleggen waarom ‘Hattie zegt dat…’ soms ook fout kan lopen.

Houston, ik denk dat we een probleem hebben…

Enkele berichten uit de voorbije weken en maanden:

Maar wacht, er is sowieso een krapte op de arbeidsmarkt en kent Vlaanderen qua werkloosheid een historisch dieptepunt.

Als ik dan lees en hoor dat politici meer leraren willen, meer agenten, meer dit, meer dat,… heb ik maar 1 vraag los van het liedje ‘wie zal dat betalen’, namelijk waar gaan we die vinden? Het is naïef te denken dat wie vandaag nog geen werk heeft, allemaal perfect zullen passen in het puzzeltje dat we moeten leggen, al doen organisaties zoals VDAB zeer goed werk. Mensen uit andere landen halen, sorry, maar bijvoorbeeld het lerarentekort is een wereldwijd probleem. Denken dat we leraren door computers kunnen vervangen, kende net nog een nieuwe debacle.

Houston, ik denk dat we een probleem hebben.

Een kleine bekentenis

Vorige week zat ik samen met onder andere een zeer ervaren onderwijzer. Toen we klaar waren met het werk waarvoor we waren samengebracht, praatten we nog een stuk verder over onderwijs en de onderwijsactualiteit. Het was tijdens deze babbel dat er iets gebeurde waar ik nog dagen later loop over te piekeren. Tijdens het gesprek zag ik namelijk hoe de man opeens zweeg omdat ik hem onderbrak. Ik snoerde hem ongewild en onbewust de mond. Wie was ik om dat te doen? Gelukkig zag ik het, en corrigeerde ik me met ‘U wou iets zeggen, sorry, ik liet u niet uitpraten’. Gelukkig dat de man zo een expressief gezicht had, waardoor ik het kon opmerken. Ik heb die dag veel bijgeleerd, niet enkel van dit moment, maar ook van wat toen volgde.

De volgende dag luisterde ik naar het onderwijsdebat op de Nederlandse radio over de publicatie van de staat van het onderwijs. Ik hoorde er iemand die niet tot het onderwijs behoort, maar wel veel over onderwijs denkt te weten, als reactie tegen een directrice stellen ‘dat ze de pijn wel hoort’, of iets in die zin. De zin was enkel maar een opstapje naar een ‘maar’ waarop vooral terug haar eigen mening te horen was. Gelukkig had de interviewster voordien de directrice wel laten uitspreken waardoor we haar degelijke verhaal wel hadden kunnen horen.

Ja, ik ben zelf al lang met onderwijs bezig. Zowel met les geven als met onderzoek, maar luisteren naar onderwijsmensen is mijn inziens belangrijker dan ooit. En luisteren is niet genoeg, er mee rekening houden des te meer.

De grenzen van vrijheid van onderwijs

Verwacht geen traktaat over de vrijheid van onderwijs, dat laat ik liever over aan Johan Lievens die hierover een zeer goed doctoraat schreef. Maar het is misschien wel handig om te weten hoe klein de invloed is van de minister van onderwijs op wat er in de klas gebeurt, voorlopig los van de vraag of dit goed of slecht is.

Stel: we weten dat een van de belangrijkste manieren om het kwaliteitsprobleem op te krikken van didactische aard is, bijvoorbeeld directe instructie. Ik zeg niet dat dit de enige zaligmakende oplossing is – die bestaan wellicht niet -, maar eerder onderzoek toont dat het een belangrijk middel is in de toolbox van de leerkracht om basiskennis en -vaardigheden aan te leren.

Kan de minister van onderwijs dan zeggen aan leraren dat ze deze tool moeten gebruiken? Nee.

Kan de minister dan zeggen dat de lerarenopleidingen deze didactische aanpak moet aanleren aan toekomstige leerkrachten? Nee.

Kan de minister dan vragen aan de koepels om deze didactische aanpak te promoten en er bijscholingen over te organiseren? U raadt het al: nee.

Kan de minister de kwaliteit van handboeken checken? Laat maar.

Wel kan de overheid subtiel proberen duwtjes in de richting te geven door projecten te steunen die hier rond werken, maar de overheid kan enkel bepalen wat de minimumdoelen zijn die door een grote meerderheid van de populatie bereikt moet worden. Doelen die niet tot deze eindtermen behoren – zoals het ingevoerde beleid dat basisscholen vroeger mogen starten met vreemde talen – dan kunnen scholen en koepels zelfs gewoon beslissen: we gaan dat niet doen.

Als zoals eerder deze week bleek dat voor bepaalde eindtermen dat slechts 22% is, dan kunnen scholen op de vingers getikt worden of kan de vraag gesteld worden of de eindterm niet te hoog gegrepen is. Maar hoe het probleem op school aangepakt wordt, is de verantwoordelijkheid van de school.

Wel, kan de overheid bijvoorbeeld bepalen dat nascholingen als prioritair thema bijvoorbeeld begrijpend lezen hebben en ultiem kunnen ze wellicht wel vragen dat er bijvoorbeeld een leescoördinator op school komt. Maar hoe die persoon dan zijn of haar werk uitvoert, komt dan weer aan de grenzen van de autonomie van de school.

En dan nu de vraag die ik even liet liggen, wat vind ik hiervan? Als voorstander van evidence-informed werken, waarbij het respect voor professionaliteit centraal staat, zou het hypocriet zijn om opeens voor een soort van staatspedagogiek te pleiten. Het zou mijn inziens ook niet werken. Context, doelen en wie er voor jou zit, doet je als leraar bepalen welke didactische aanpak je nodig hebt.

Tegelijk zou meer kwaliteitscontrole op bijvoorbeeld handboeken of bijscholingen misschien niet slecht zijn. Niet omdat ik twijfel aan de goede bedoeling en de kwaliteit van de meeste, maar tegelijk zag ik ook al de nodige zaken waar je wel vragen kan bij hebben. Maar hoe dit zich zou verhouden met de vrijheid van onderwijs, is dan weer een andere vraag.

Over onafhankelijkheid

Vandaag staat er een interview met professor Wim Van den Broeck in De Morgen. Daarin vertelt hij ook hoe we binnenkort samen met professor Wouter Duyck zullen in debat gaan op een congres van N-VA. Ik sprak ook al eerder op congressen of studiedagen van SP.A, Groen, CD&V en OpenVLD, net zoals ik ook al sprak bij vakbonden en werkgeversorganisaties.

Hierbij maak ik ook duidelijk aan alle betrokkenen dat ik op mijn onafhankelijkheid sta. Vrij vertaald: ik zeg wat ik denk. Soms past dat bij iets waar ze in geloven, soms helemaal niet. In het verleden heb ik 1 keer meegemaakt dat iemand vroeg om niet te kritisch te zijn op een bepaald onderwerp. Mijn reactie was eenvoudig: ‘wilt u dat ik kom of niet?’

Mijn levensmotto leende ik van Groucho Marx: “Ik wil niet lid zijn van een club die mensen zoals ik als lid accepteert.”

Over pedagogen

Vandaag staat er een opiniestuk van Leuvense pedagogen in De Standaard. Maarten Simons en collega’s ergeren zich terecht aan de framing door bepaalde politici over onze beroepsgroep. Ik schreef er zelf ooit ook een klein stuk over.

Het blijft een grote ironie dat veel mensen die over onderwijs praten, pedagoog genoemd worden, maar het zelden zijn terwijl de bekendste pedagoog van Vlaanderen Theo Francken heet en iets minder met pedagogiek wordt geassocieerd.

Het was tijdens mijn eigen opleiding pedagogiek dat professor Marc Spoelders mijn eenzijdig denken corrigeerde. Ik was toen ook volledig opgenomen in een sociaal-constructivistich denken, maar het was deze pedagoog die me duidelijk maakte dat dit maar 1 paradigma was en je verder moest kijken en kritisch moest blijven. Ook als iedereen zegt dat kennis minder belangrijk is, de leraar coach moet zijn, enzovoort, dan is het de taak van een degelijke pedagoog te blijven denken.

Als vandaag iedereen lijkt te lopen achter de nieuwe vlag van personaliseren in onderwijs, dan zijn het pedagogen Jan Masschelein en Maarten Simons die daar terechte bedenkingen bij formuleerden tegen deze nieuwe keizer in. Niet vanwege versleten discussies als progressief versus traditioneel, maar omdat het de taak is van pedagogen verder te denken.

Het klopt dat pedagogen zoals Biesta bedenkingen geuit hebben bij een te sterke nadruk op meten en meetcultuur en dat in Nederland de discussie tussen pedagogen enerzijds en cognitief psychologen en onderwijskundigen anderzijds soms wat heftig is gevoerd. Het zijn discussies die bij het wetenschappelijk bedrijf horen. En terug: het is verder denken.

Ik schreef zelf dit artikel over hoe we al een tijdje een nieuwe stroming merken binnen de pedagogiek waarbij het belang van de school als school centraal staat, zwaar beïnvloed door het denken van Hannah Arendt. Je leest er onder andere een pleidooi voor het herwaarderen van onderwijzen. Pedagogen lijken net trendsetters.

Een hart onder de riem voor het onderwijs

Vandaag staat op de voorpagina van De Morgen een artikel over hoe de kwaliteit van het onderwijs fors is gedaald de voorbije jaren. Dit moet (terug?) keihard aankomen voor de vele leraren en directies die keihard aan het werk zijn, al zullen er velen misschien niet heel erg verbaasd zijn. Ondanks de vele uren die ze draaien, ondanks de opvallend vele burnouts onder hun collega’s, toont onderzoek van Jan Van Damme en co-auteurs minutieus aan hoe het Vlaamse onderwijs achteruit is gegaan.

Het moet iets meer dan een half jaar geleden zijn dat ik professor Van Damme ontmoette op een receptie en hij in het kleine gezelschap al iets zei over dit onderzoek dat hij deed. Ik was het zelf al vergeten toen ik het artikel in TORB las. Vele excuses die je zou kunnen bedenken als verklaring, worden door het artikel uitgesloten. Voor het katholiek onderwijs is het artikel pijnlijk omwille van de grootste, duidelijke daling op PIRLS, voor het GO is het constant minder presteren niet minder pijnlijk. En argumenten als achtergrond van de leerlingen, gelden niet zomaar omdat daar voor gecorrigeerd werd. En nee, de daling dateert ook al van voor het M-decreet.

Ik vermoed dat we voor een dal staan in ons onderwijs. De komende tijd zullen we nog verschillende internationale vergelijkingen op ons bord krijgen. De kans dat die goed zullen zijn, is klein als je de evoluties bekijkt die het artikel beschrijft. Vrijdagnamiddag worden de nieuwe peilingsproeven bekend gemaakt, het is te kijken hoe deze in die evoluties passen.

Toch is het ook belangrijk dat er gekeken wordt, naar het waarom van dit alles. Hoe komt het dat we zo achteruit boeren, terwijl iedereen keihard werkt? Het is een vraag die ik niet 1, 2, 3 kan beantwoorden. Zijn het de vele bijzaken die er bijvoorbeeld voor zorgden dat leesonderwijs onder druk kwam te staan? Zou kunnen. Zijn het de methodes die beter kunnen? Zou kunnen. Zijn de verwachtingen van ouders te laag geworden? Zou kunnen. Wordt er teveel verwacht van leraren zodat ze niet meer aan de essentie van hun job toekomen? Zou kunnen. Is de maatschappij complexer geworden? Zou kunnen, maar niet enkel hier, waarom dan hier een grotere daling? Ik kan nog veel vragen stellen, de ene pijnlijker dan de andere, maar ik zou telkens moeten antwoorden: zou kunnen. Wellicht is er ook niet 1 reden, maar een kluwen van redenen die op elkaar inwerken.

Het lijkt misschien fout achteruit te kijken, maar ik denk wel dat we die vraag moeten proberen te beantwoorden. Onze leerlingen, leraren, scholen verdienen dit antwoord. De komende uren, dagen en zeker de komende maanden voor de verkiezingen zullen er veel oplossingen komen. Maar hoe kan je oplossingen aanbieden, als je niet zeker bent over de oorzaak en enkel vermoedens hebt?

Maar deze ochtend zijn er ook leerlingen waar we moeten voor zorgen. Deze week moeten we hen ook weer het beste van onszelf geven. De kop laten hangen, helpt ook niet. Daarom een riem onder het hart voor al onze onderwijsmensen. Ze verdienen alle steun. Ze kunnen deze de komende tijd zeer zeker gebruiken.