Zeven extreme voorbeelden van onderwijs en privacy

Dit weekend verscheen er in de Guardian een artikel over hoe een schooldistrict in New York gezichtsherkenning zou beginnen gebruiken op hun leerlingen (1). Het wordt ingevoerd als een middel tegen school shootings, maar de inbreuk op de privacy is enorm. Maar er zijn nog andere onderwijsprojecten waar je vragen kan bij hebben.

Wat te denken van schooluniformen met chips ingenaaid om je leerlingen te tracken? In China gebeurt het (2), idem voor Brazilië (3). Of wat te denken over gezichtsherkenningsoftware die bijhoudt of je wel oplet in de les (4)? Of scholen die meekijken via de laptop-camera bij de leerlingen thuis (5)? Nee, echt, het gebeurt (6). Opeens lijkt het monitoren van sociale media van leerlingen bijna verwaarloosbaar (7).

Wat bij al deze maatregelen opvalt, is dat er steeds wel een ogenschijnlijk goede reden was om de maatregel in te voeren. Maar of het goede maatregels zijn?

Leven in een bubbel (korte overpeinzing)

Ken ik iemand die voor het Vlaams Belang stemde? Ik kan er echt niet zo 1, 2, 3 iemand bedenken. Ja, ik wist en merkte ook dat een deel van de jongeren (extreem) rechtser zijn geworden, maar velen van hen mochten nu nog niet stemmen.  En ik ken genoeg mensen die NV-A stemmen, net zoals Groen, SP.a, Open-VLD, CD&V en PVDA. Maar Vlaams Belang? Nee. Of ze durven er niet voor uitkomen, of ze zijn geen onderdeel van mijn vrienden- of familiekring.

Nu, ik woon wel in Gent, en dat bleek gisteren sowieso op vele tendensen een uitzondering te zijn, maar toch.

Sinds gisteren heb ik het gevoel dat ik toch minstens op dit vlak in een bubbel leef of heb geleefd.
Wellicht een zelfde bubbel waaruit veel Amerikanen enkele jaren geleden ontwaakten bij de verkiezing van Trump.

Opinie: zouden we de eindtoets niet beter afschaffen?

Vorige week werd ik gevraagd of ik een stuk wou schrijven voor het Leidsch Dagblad, Haarlems Dagblad, Noordhollands Dagblad en De Gooi en Eemlander.

Je kan er je klok bijna op gelijk zetten: na de centrale toetsen komt de kritiek. Maar deze keer is het erger. Meer dan 20000 kinderen kregen door een rekenfout een verkeerd advies, waarbij de meerderheid een te hoge score kregen. En dan denk je: wees maar dat kind in groep acht dat even mocht  zweven en nu te horen krijgt dat je het toch niet zo goed hebt gedaan op die belangrijke toetsen. Je zou als ouder of leraar voor minder twijfelen aan het nut van een centrale toets. Is die twijfel terecht of niet?

De voorbije jaren hebben we in Nederland een soort van slingerbeweging gezien tussen meer belang hechten aan het advies van de leraar versus meer belang hechten aan de resultaten van de toets. Het waren bij de huidige problemen ook de docenten die aan de alarmbel trokken omdat hun kinderen het boven verwachting wel heel erg goed deden. Een goede docent kent zijn of haar discipels.

Recent was er een Britse studie die naging bij meer dan 5000 kinderen hoe goed zowel leraren als het centrale eindexamen het later schoolsucces zouden kunnen voorspellen. Er bleek geen verschil te zijn. Vlaanderen lijkt ondertussen te tonen dat het ook zonder centrale eindtoetsen kan. Er zijn enkel gestandaardiseerde testen op het einde van het primair onderwijs die gebruikt wordt om de kwaliteit van de scholen te monitoren, maar de resultaten krijgen enkel de scholen zelf te zien. Het zijn de docenten die beslissen over het lot van de kinderen. Dus kunnen we in Nederland die handel niet beter afschaffen? Het antwoord is zoals vaak complexer.

Vorig jaar bleek uit De Staat van het Onderwijs van de Nederlandse inspectie nog maar eens  dat kinderen uit groep 8 die vorig jaar een eindtoetsresultaat haalden op vmbo-g/t-niveau een verschillend advies kregen naargelang wat hun vader of moeder als achtergrond hadden. Leerlingen met laagopgeleide ouders kregen vaker een lager schooladvies, terwijl je als kind van hoogopgeleide ouders eerder een hoger schooladvies zou krijgen. Het is moeilijk te duiden waar dit kan aan liggen, maar te lage verwachtingen bij docenten kunnen meespelen. En er was vorig jaar ook nog dat andere debacle in Limburg met de eindexamens voor het VMBO. Hier faalde niet het centrale examen, maar was het de school die pijnlijk in de fout ging.

Het is wel degelijk belangrijk dat we in onderwijs genoeg testen hanteren die gestandaardiseerd zijn. Dit wil zeggen dat er getracht wordt om zo objectief mogelijk in te schatten waar een kind staat voor een bepaald vak. Maar een dergelijke test kan nooit alles meten. Een test kan ook een momentopname zijn, dus daarom is het begrijpelijk en wenselijk dat docenten ook in de weging meegenomen worden. Zij zien de kinderen dag in dag uit, en hebben een totaalbeeld. Dat totaalbeeld kan echter beïnvloed worden door bijvoorbeeld de achtergrond van het kind.

Als je centrale, gestandaardiseerde toetsen wil gebruiken die een cruciale rol spelen in een ingrijpende beslissing over het leven van kinderen, dan moet iedereen die bij deze toetsen betrokken is, de zaken meer dan goed op orde hebben. In Nederland koos men er voor om verschillende toetsen mogelijk te maken. Scholen kunnen zelf kiezen bij welke aanbieder ze een eindtoets inkopen. Daarna wordt via weging de lat tussen de verschillende toetsen gelijk gelegd. Het is bij die weging dat het fout ging. Een dergelijke rekenfout kan simpelweg niet.

Tegelijk moeten Individuele docenten en docententeams beseffen dat terwijl ze hun kinderen wel degelijk goed kunnen kennen, ze tegelijk ook maar mensen zijn met mogelijke vooroordelen die de leerlingen kunnen benadelen. Een degelijke, gestandaardiseerde test kan hier wel degelijk bij helpen.

Goed evalueren klinkt stilaan als een onmogelijke opdracht, maar voor minder mogen we voor onze kinderen echt niet gaan.

Leestip: Voorbij de progressieve verwarring (Dirk Van Damme)

Deze tekst van Dirk Van Damme (OESO) is een must-read om een deel van de huidige discussies in het Vlaamse onderwijs te begrijpen (de strijd rond koepels/netten wordt enkel in het verleden besproken). Ik kan me inbeelden dat verschillende mensen het er niet onmiddellijk eens mee zullen zijn, maar ik vind dat Van Damme een zeer goede samenvatting heeft gemaakt.

Dit is het abstract, lees de volledige tekst hier.

Onderwijs__discussies spelen zich niet langer af op de oude politieke breuklijnen. Nieuwe breuklijnen tekenen zich af, onder meer op de thema’s van kwaliteit en kennis. Thema’s die niet aan conservatieven kunnen worden overgelaten, maar om een sociaaldemocratische visie vragen.

Over computationeel denken, leren programmeren en eindtermen (3 problemen, 3 oplossingen)

Deze presentatie gaf ik op 17 mei voor OVSG en Vleva in Brussel.
De bronnen die niet vermeld worden in de presentatie, staan in Juffen zijn Toffer dan Meesters (2019)

Welbevinden op school? Misschien is dit niet de juiste discussie…

Gisteren ging het in Ter Zake over onderwijs en de ondertussen vermoeiende tegenstelling welbevinden versus leren kwam er ook weer aan bod. Mocht je verwachten dat ik nu nog maar eens ga uitleggen dat het geen tegenstelling is, dat deed ik al eerder. Nieuwe cijfers doen vermoeden dat het gewoon zelfs een zinloze discussie is om een heel andere reden.

Als we kijken naar de laatste JOP-monitor, dan zien we dat 5,7% van de Vlaamse (en Brusselse jongeren) zich niet goed voelen/laag welbevinden hebben. Maar hoe groot is de invloed van school op dit welbevinden? Behoorlijk klein.

Scholen erven grotendeels het welbevinden van buiten de school. En dan vind ik het raar dat we in heel dit debat niet kijken naar de factoren die wel de levenstevredenheid eerder doen dalen:

 

Wat is belangrijker in onderwijs?

Zaterdag was er een gesprek op Twitter waar ik even niet goed kon geloven wat ik las:

De discussie ging oorspronkelijk over het stijgend aantal ongeletterde kinderen in het Nederlandse onderwijs. Later kwam wel de verdediging dat er altijd wel kinderen zouden blijven die ongeletterd zijn door bijvoorbeeld mentale beperkingen, maar toch leek de hele discussie vooral te gaan over het doel van onderwijs.

Moeten we vooral de persoon vormen en leren met elkaar omgaan versus ‘opbrengsten’ zoals lezen en schrijven:

Misschien is dit wel de verklaring:

Mijns inziens is het een luxe om over onderwijs te kunnen nadenken, maar die luxe vervalt als we kinderen de basis van cultuur niet meer kunnen meegeven. Die basis is lezen, schrijven, rekenen,… en met elkaar omgaan en de best mogelijke versie van jezelf worden.

Je mag daar dan heel filosofisch over doen, maar ondertussen ben ik blij dat er genoeg mensen proberen de laaggeletterdheid tegen te gaan. Maar dat is natuurlijk maar mijn mening. Jan bood aan hier later op terug te komen, I’ll keep you posted.

Over Andreas Schleicher in De Groene

De Groen heeft een zeer mooie onderwijsspecial gemaakt, met ook een interview met PISA-topman Andreas Schleicher. Gisteren reageerde Amber Walraven al op het stuk op Twitter

Het gaat over deze paragraaf:

Onderwijs kan er een positieve invloed op uitoefenen, redeneert Schleicher. ‘We willen sociale en emotionele vaardigheden kunnen observeren en meetbaar maken, net zoals we wis- en natuurkunde kunnen observeren en meten. We hebben daartoe interessante instrumenten ontwikkeld. Komend jaar gaan we betrouwbare data ophalen. Het is belangrijk om deze discussie te voeden met feiten. Is het echt, is het tastbaar? Hoe, waar en wanneer ontwikkelen kinderen sociale en emotionele vaardigheden? Veel discussies zijn gebaseerd op veronderstellingen. Daarom nemen veel mensen deze ontwikkeling amper serieus.

Als een klas of een school sociaal en emotioneel vaardige kinderen aflevert, wordt dat gezien als een leuke plus, een aardig extraatje, het resultaat van een zeer gemotiveerde docent of van een innovatieve leeromgeving. Wij willen aantonen dat ze net zo betrouwbaar en voorspelbaar zijn als de traditionele cognitieve vaardigheden. We hopen ook te leren in welke omgeving je ze het beste kunt aanleren. Neem bijvoorbeeld rekenen. Dat leert een kind waarschijnlijk gemakkelijker op de basisschool dan later in het vervolgonderwijs. Maar voor sociale en emotionele vaardigheden is het misschien wel andersom. Dat moet blijken.

Waarom kan je hier over vallen? Wel, hoe ver kan dit gaan? We weten dat de invloed van PISA op curricula al groot is, wat mee tot deze open brief van wetenschappers leidde, maar er is ook:

  • Is er een soort ideaalbeeld waar we kinderen moeten naar boetseren, wat als je van nature bijvoorbeeld meer gesloten bent? Verschillende van de vaardigheden die we vandaag belangrijk vinden, zijn eerder persoonlijkheidskenmerken. Schleicher heeft het onder andere over het aanleren van assertiviteit of tolerantie. Tolerantie is vaak meer een gevolg van onderwijs, en assertiviteit, allemaal goed en wel, maar oh wee de stille jongen of het stille meisje dat daar perfect gelukkig mee is?
  • Wat als je een moeilijke situatie thuis hebt, gaan we scholen hier op afstraffen? Weet dat welbevinden vooral door de thuissituatie bepaald wordt en de school het welbevinden vaak erft en er relatief weinig invloed op heeft.

En voor je denkt dat het goed is dat PISA welbevinden en dergelijke gaat meten, sorry, daar gaat het niet over. PISA meet dit al jaren.

Gaat de wereld echt steeds sneller? Een kleine verkenning.

Het lijkt een zekerheid: de veranderingen in de wereld gaan steeds sneller. Nu heb ik de onhebbelijke gewoonte om zekerheden ook wel in vraag te durven stellen en dus daagde ik me uit ook voor deze stellingen argumenten pro- en contra te vinden. Eerst keek ik vooral dicht bij huis, maar de wereld vertraagt wel letterlijk.

De makkelijkste die ik me kon herinneren is de trein. Het lijkt een gemakkelijke grap, maar het is echt waar: in België rijdt de trein vandaag trager dan enkele decennia geleden. Wellicht geldt dit met alle files ook ondertussen voor de auto en de vrachtwagens, maar dat is dan weer misschien niet eens zo slecht. Van dezelfde voor de hand liggende orde, zijn grote werken in België, denk maar aan Oosterweel waar de papiermolen vandaag behoorlijk lang kan aanslepen.

Maar terug naar mijn vraag.

De snelheid van communicatie is toch een pak sneller geworden? Ja, maar de grootste tijdswinst ligt al ver achter ons, en we zien nu vooral een democratisering van communicatie. We kunnen wellicht niet meer sneller communiceren, maar die snelheid is er voor meer mensen goedkoper bereikbaar. Misschien kunnen we dat laatste als een versnelling zien of niet. Een verandering is het zeker.

Hoe zit het met de productiviteit? Die stijgt alvast sneller in Vlaanderen:

Blijf ik met de vraag of we nu sneller werken, of net efficiënter? Voorlopig nog geen antwoord over gevonden.

Studeren lijken we alvast gemiddeld trager te doen in het hoger onderwijs, al kan ook de instroom hier een rol spelen volgens sommigen.

Er zijn verder genoeg aanwijzingen dat we aan een steeds hoger tempo leven. Richard Wiseman toonde in zijn Pace of Life project waarbij gekeken werd naar hoe snel we in een stad lopen/wandelen omdat dit een goede aangever zou zijn voor algemene snelheid van leven:

Using identical methods to those employed in the previous work, the present day research teams discovered that the pace of life is now 10% faster than in the early 1990s.
The biggest changes were found in the Far East, with the pace of life in Guangzhou (China) increasing by over 20%, and Singapore showing a 30% increase, resulting in it becoming the fastest moving city in the study. (bron)

Wat wel interessant bleek in deze studie is dat de versnelling nogal kan verschillen van stad tot stad en dat sommige steden zoals Londen trager bleken dan bijvoorbeeld Madrid.

Voorlopig kom ik zo bij een einde aan deze kleine denkoefening, maar alle aanvullingen zijn meer dan welkom!

Een goede metafoor over leerplannen en koepels

Gisteren was er een opvallende passage in De Zevende Dag in het debat tussen Bart De Wever en huidig minister van onderwijs Hilde Crevits, waarbij de minister scholen aanraadde om wat vaker tegen hun koepel in te gaan als de visie van de koepel zou botsen met hun eigen visie.

Dit bracht me tot de volgende vraag:

Ik stelde die vraag niet omdat ik voor of tegen ZILL zou zijn, het nieuwe leerplan voor het basisonderwijs van het katholiek onderwijs, maar wel omdat ik de voorbije 2 jaar diezelfde vraag al vier kreeg. Voor alle duidelijkheid, elke school mag zijn eigen leerplan maken, maar in de praktijk is dat veel werk. Al zouden bijvoorbeeld katholieke scholen er ook kunnen voor opteren bij de oude leerplannen te blijven, omdat de eindtermen die we vandaag hebben in het basisonderwijs nog steeds dezelfde zijn als voor de oude leerplannen. Pas in de komende legislatuur wordt werk gemaakt van nieuwe eindtermen voor de basisschool.

Lieven Boeve antwoordde op mijn vraag:

Johan Lievens verduidelijkte het allemaal via een metafoor: